Lucky Fonz III: "Folk is de taal die ik spreek." (2009)

Alles is nieuw en fris aan Lucky Fonz III, hij heeft de lente in z’n kop. Zijn derde album A Family Like Yours staat in het teken van geboorte en creatie. De meewarige folk van weleer heeft plaats gemaakt voor luisterrijke pop. Het houthakkersoverhemd is vervangen door een maatkostuum en de mondharmonica door een strijkkwartet.

foto: Cupid & Shu

Ik ontmoet Lucky Fonz de derde, die in 1981 ter wereld is gekomen als Otto Fons Wichers, een paar dagen na de concertreeks van Bob Dylan in Amsterdam. Dylan is een held van Lucky. Hij rondde zijn studie Engels af met een scriptie over hem. “Ik heb zijn concerten deze keer overgeslagen. Geen tijd, geen geld. Twee jaar geleden vond ik hem erg goed. Hoe was hij nu? Dylan is voor iedereen anders. Zijn fans hebben een persoonlijke relatie met hem. Iemand die iets over hem weet en hem voor het eerst ziet optreden zal denken ‘wat de fok is dit’. Hij is niet te vergelijken. Hij is Dylan.”

-Laten we het hebben over je nieuwe album, A Family Like Yours.
“Heb je ‘m gehoord, man?”
-Sterker nog; ik heb er de laatste paar nachten allemaal deuntjes van in m’n hoofd.
“Oh sorry (lacht). Welke?”.
-Het zijn twee songs; Leave Your Body en Station Wagon.
“Echt waar? Leuk! Lachen! Meestal hoor ik mensen over My Daughter en Summer Day.”
-Het zijn twee songs die je nieuwe plaat perfect karakteriseren. Leave Your Body is nog heel erg geworteld in de folktraditie terwijl Station Wagon een guitig popliedje is dat je muzikale ontwikkeling aangeeft.
“Wat ik voor dit album gedaan heb, is dat ik mezelf heb toegestaan om meer verschillende invloeden te laten doorsijpelen. Mijn vorige albums waren heel understated, ze waren bewust heel sober en klein gehouden. Ik was daar overigens erg tevreden mee, maar nu wilde ik kijken wat er gebeurde als ik een aantal zelfcensuur-knoppen zou uitzetten.”
-Alle remmen los?
“Een beetje, maar mijn producer, Rutger Hoedemaekers (bekend van About en Voicst – EQ), heeft mij in toom gehouden. Wie zijn muziek, stevig beukende pop, kent denkt dat hij invloed heeft gehad op hoe A Family Like Yours klinkt, maar hij heeft bij mij juist steeds op de rem moeten trappen. Ik kan erg extreem zijn. Het is het een of het ander bij mij. Deze plaat is een beetje beide.”
-Was het niet te makkelijk geweest om een tweede Life Is Short te maken?
“Ja, heel makkelijk. Daarom heb ik alle songs die heel erg Life Is Short waren achterwege gelaten. Ik wilde de andere muzikale dingen die mij bezighouden toelaten. Het was pure nieuwsgierigheid om bijvoorbeeld te kijken wat er zou gebeuren met drums in mijn muziek, of met popachtige teksten en melodieën. Het is ook maar net waar je zelf naar luistert. De laatste tijd ben ik erg geïnteresseerd in de vroege Beatles. Dat hele directe en eenvoudige. (zingt) All my loving I will send to you lala lalalala. Heel catchy en direct. Dat heb ik proberen na te streven.”
-Ik vind een liedje als Asylum erg op de Beatles lijken. Ik had er ook de associatie bij met muziek uit stomme films uit de jaren twintig, of met Britse vaudeville-muziek en The Kinks.
“Dat komt deels omdat ik beïnvloed ben door The Kinks en The Beatles, maar deels ook omdat ik dezelfde invloeden heb die zij hadden. Muziek uit jaren dertig, ragtime – en natuurlijk ook rock ’n roll, country, blues. Ik heb dezelfde invloeden als The Beatles en The Kinks terwijl zij ook weer mijn invloeden zijn. Dat gaat op een heel natuurlijke wijze samen. Ik heb namelijk geen historische beleving van muziek. Voor mij is alles van nu. Artiesten die al heel lang dood zijn, leven voor mij nog. Ik hou erg van Hank Williams, die al jaren dood is, maar ik hou ook van de liedjes van Guus Meeuwis. Voor mij zijn die twee vergelijkbare figuren, ze komen voor mij uit dezelfde wereld. Ik maak ook geen onderscheid tussen oud en nieuw. Alle muziek waar ik van hou bestaat voor mij nu. The Beatles bestaan nu, ze zijn onderdeel van mijn huidige belevingswereld. Ik zie The Beatles niet als een jaren zestigband. Ik heb geen chronologische beleving van muziek. Allemogelijke muziekstijlen en periodes lopen dwars door elkaar in mijn hoofd. Als ik muziek maak, word ik er onbewust door beïnvloed. Ik sta dat toe. Ik schrik er niet van als een nummer ouderwets zou klinken, zoals We Are Still Young op mijn nieuwe plaat. Dat nummer is pure country & western.”

-Ik vind A Family Like Yours een tamelijk ambitieuze plaat. Hoe ambitieus is Lucky Fonz III?
“Ik ben niet bewust ambitieus”.
-Ik denk dat ambitie en toewijding thema’s zijn op je plaat. Het idee dat je altijd je best moet doen, om je potentieel te bereiken. Je zingt erover in Leave Your Body en Every Ghost Back To Blanket.
“Ja, dat zit er wel een beetje in”.
-Terwijl de plaat ook een ode is aan het gevoel jong te zijn, maar niet noodzakerlijkewijs een ode aan de jeugd.
“Ja, zeker. Het is een lenteplaat terwijl Life Is Short een herfstplaat was. A Family Like Yours gaat veel over kinderen, over nieuw leven. Het album is opgedragen aan iedereen die in 2008 is geboren.”
-Waarom?
“Al mijn vrienden kregen kindjes. Het gaat mij op deze plaat om de verbinding tussen het creëeren van iets nieuws en geboortes. Je preoccupaties zijn dankbaar materiaal om mee te werken. Veel van wat ik doe komt voort uit kinderlijke nieuwsgierigheid. Het werkt het best voor mij als ik intuïtief bezig ben. Wat ik probeer te voorkomen, is dat ik mezelf beknot door voortdurend nee te zeggen. Dit mag niet en dat mag niet, maar dit moet juist wel. Van die dwanggedachten wilde ik af toen ik met dit album begon. Maar ambitieus? Ik vind het een moeilijk woord. Het album klinkt voor mij wel weer als een debuutplaat.”
-Het gevoel dat je je opnieuw moet bewijzen?
“Ja, voor mezelf, niet ten opzichte van andere mensen. Ik wil steeds opnieuw beginnen, zo voelt het ook. Ik ben pas een beginner, A Family Like Yours is mijn derde album. Voor mijn gevoel ben ik pas begonnen.”
-Ben je met dit album de folk voorbij?
“Ik hou me daar niet mee bezig.”
-Afgezien van het instrumentarium, waarin de drums een prominente nieuwe plek hebben gekregen, is er toch niet veel veranderd. De meeste liedjes zijn nog steeds geworteld in een folktraditie. In je teksten zijn de vaders en zonen net zulke archetypische folkmetaforen om een verhaal te vertellen als een rivier of een berg dat zijn.
“Folk is de taal die ik spreek. Folk is een goede basis om vanuit te werken, een vertrekpunt naar andere muziek. Omdat folk zo eenvoudig, solide en archetypisch is. Met folk weet ik dat ik een hele geschiedenis achter me heb, een geschiedenis waar ik op aan kan.”

-Je gaat optreden met een band, het Lucky Orchestra.
“Het is een strijkwintet.”
-Geen harde drums? Je hoeft dus niet bang te zijn dat iemand uit het publiek je zal uitmaken voor Judas?
“(lacht) Nee, maar dat zal nog wel ’s gebeuren. Maar Bob Dylan en The Beatles kwamen ook voort uit de folk. Voor een band met drums en elektrische gitaren ben ik nog niet klaar.”
-Je sluit het niet uit?
“Ik sluit niets uit, maar ik twijfel nog of dat iets is wat ik echt wil. Ik denk er over na.”
-Met wie praat ik nu eigenlijk? Met Lucky Fonz of met Otto Wichers?
“Met Lucky Fonz”.
-Je houdt de twee graag gescheiden?
“Niet in mijn hoofd, maar wel in mijn publieke gedaante.”
-Wat zijn de verschillen of overeenkomsten tussen Otto en Lucky?
“(lacht verlegen) Dat is een gebied van zelfpsychologie waar ik het niet over wil hebben.”
-Je hebt wel eens gezegd dat je als persoon niet aanwezig wil zijn in je liedjes.
“Dat is zo.”
-Men identificeert de zanger altijd met zijn liedjes...
“Ik heb meer het idee dat de luisteraar denkt dat de liedjes over hem gaan.”
-Is dat wat je wilt?
“Ja, ik hoop dat het publiek een relatie krijgt met de muziek. Ik laat zelf liever zo min mogelijk licht schijnen over de persoonlijke relatie die ik met mijn songs heb. Ik wil dat de song centraal staat.”
-Hoe ga je om de media?
“Ik doe het allemaal graag omdat het aandacht schenkt aan mijn muziek. Mijn muziek wil ik graag delen. Ik wil zichtbaar en beschikbaar zijn voor mijn publiek.”
-Maar Lucky Fonz is iemand waar Otto Wichers zich achter beschermd voelt?
“In zekere zin.”
-Door je medewerking aan De Wereld Draait Door word je vast herkent bij de bakker.
“Ja, ik word iedere dag herkend . Daar ben ik inmiddels aan gewend. Ik vind het wel leuk om mijn hoofd overal te zien. Het is puur banale ijdelheid. Ik heb gewoon veel aandacht nodig (lacht).”

 “Ik analyseer mijn songs niet, ik denk er niet over na waar ze over gaan. Soms kom ik daar pas jaren later achter. In hoeverre songs over mij gaan, is heel onbelangrijk voor mezelf. Ik weet dat we in een cultuur leven waarin dat heel relevant wordt gevonden, maar ik voel me niet geroepen daaraan mee te doen.”
-Dat is geen kwestie van mystificeren?
“Nee, voor mij is dat iets diepers. Kijk, ik hoef de naam van de architect niet te kennen om de kerk mooi te vinden. Sterker nog; als kunst echt iets betekent, dan moet het kunnen bestaan zonder een verhaal erom heen. Als ik alle songs ging uitleggen dan zou dat een vorm van mystificatie zijn. Omdat je dan aankomt zetten met een verhaal waarvan je denkt dat het een bijdrage levert. Dat is bijna een soort anti-mystificatie. Ik vraag me af of de kunstenaar de aangewezen persoon is om zijn werk te analyseren. Het gevaar is dat de kunstenaar dat doet als bewijs van zijn authenticiteit, omdat je authentiek bevonden wil worden. Die behoefte heb ik niet. Ik hoef als persoon niet serieus genomen te worden, dat verlangen heb ik niet. Met vragen over authenticiteit en oprechtheid houd ik me niet bezig. Het kan een vorm van zelfcensuur opleveren als daar geobsedeerd mee bezig bent. Authenticiteit wordt volgens mij pas een kwestie als je er zelf over gaat nadenken. Toen ik begon als singer/songwriter heb ik veel nagedacht over de verantwoording voor wat ik deed. Ik moest daar over nadenken omdat ik er andere dingen voor in de steek liet. Ik had een baan als leraar aangeboden gekregen en ik heb getwijfeld over een carrière in de wetenschap, maar ik koos voor de muziek en dan kom je op een punt dat je die beslissing voor jezelf moet verantwoorden. Je vraagt jezelf af of waar je voor gekozen hebt wel waarde heeft. Ik zou niet mijn leven willen wijden aan een puberfantasie, of aan iets dan enkel en alleen voor mijzelf leuk is. In die periode moest ik mijn scriptie schrijven en die ging over Bob Dylan en het thema autheticiteit. Die scriptie ging niet zozeer over Bob Dylan als wel over de vragen waar ik zelf mee zat. Bob Dylan was de projectie, zoals hij zo vaak een echoput is. De conclusie van mijn scriptie was dat je nooit hoeft te verantwoorden zolang je toegewijd bent en kwaliteit levert. Volgens mij hoeft een kunstenaar zijn authenticiteit niet te bewijzen. Bob Dylan is een mooi voorbeeld, voor mij is hij het toonbeeld van de authetieke kunstenaar die zonder angst koers zet aan de hand van de ster die hij volgt. Voor anderen is Dylan de grootste, calculerende nepper op aarde. Ik heb besloten dat ik alleen maar toegewijd bezig moet zijn en verder niet zoveel vragen moet stellen. Dat is wat anders dan banale mystificering.”

Het gesprek vormde de basis voor een artikel in AD Haagsche Courant, april 2009.