Jim Morrison: Slachtoffer van zijn eigen betovering (1991)

Jim Morrison is niet dood. De fans die het overlijdensbericht op 3 juli 1971 niet wilden accepteren, hebben gelijk gekregen. Jim Morrison — zanger, dichter, cineast en rebel — leeft. ‘For seven years I will dwell in a place of exile’, dichtte hij ooit. Zeven jaar? Het werden er uiteindelijk twintig, want Jim leeft nu middels Oliver Stones film The Doors.

Foto: Wikipedia

Maar eigenlijk is hij sinds 1971 niet weg geweest. Jim op platen, Jim in films en video’s, Jim in biografieën en fotoboeken, Jims woorden gedrukt op papier, Jims beeltenis op shirts, jassen en tassen, Jims geest in menig popmuzikant. Maar klopt de mythe? Was Morrison wel de visionair, de sjamaan die men na zijn verscheiden in hem is gaan zien? Was Morrison niet slechts een archetypisch exponent van de maatschappelijke en culturele revolutie van de jaren zestig? De langverwachte bio-pic The Doors van regisseur Oliver Stone geeft geen antwoord op deze vragen. De film, met de povere acteur Val Kilmer in de rol van Jim Morrison, is wel een beetje controversieel, net als alle rolprenten van Oliver Stone. Ray Manzarek, organist van de roemruchte popgroep uit Los Angeles, was de eerste die zich ervan distantieerde. Manzarek meent dat Oliver Stones versie van de opkomst en ondergang van zijn oude vriend te veel de nadruk legt op de vermeende duistere kanten van het idool.

Manzarek betichtte Stone van sensatiezucht, maar zo bont als Morrison-biograaf Jerry Hopkins het maakte in zijn boek No One Here Gets Out Alive (1980) maakt de regisseur van ondermeer de omstreden Vietnam-film Platoon (Stone viel tijdens zijn tour of duty in Vietnam voor de muziek van The Doors) het nu ook weer niet. Oliver Stone is een Doors-fan, dat staat voorop. Stone is geobsedeerd door de charismatische zanger. Toch plaatst de film ook kritische kanttekeningen. Zo durft Stone Morrison als dronkelap en, daaruit voortvloeiend, als impotente minnaar te tonen. “Als je zo doorgaat, word je nooit een legende”, zegt een van Morrisons vrienden in de film tegen de zanger, die op dat moment al zelfgenoegzaam zwelgt in zijn onafwendbare ondergang. Stone geeft de mythevorming van Jim Morrison een nieuwe dimensie. Een meer waarheidsgetrouw, relativerend beeld van Morrison als pretentieuze poseur die weliswaar wat kon maar zijn pretenties nooit heeft weten waar te maken, wordt in de ruim twee uur dat de film duurt uiteindelijk toch ondergesneeuwd door rock-pathos en een geromantiseerd beeld van de jaren zestig.
Het is natuurlijk niet populair om de zanger van Light My Fire en Riders On The Storm, de zelf-gestileerde Lizard King (‘I am the Lizard King, I can do anything’), te benaderen als een verwend jochie met narcistische trekjes, maar een nuchtere analyse prikt de door een waas van seks, drugs, drank en mystieke romantiek gevormde mythe simpel door. Oliver Stone laat Morrison zien als een opportunistische rebel voor wie de eenmaal door excessen bereikte extase niet genoeg was. Dat beeld klopt, want Morrison ging uiteindelijk geloven in de hallucinerende hippie-fantasie die op de eerste Doors-lp, in stoere rockmuziek, Break On Through To The Other Side heette.

Zonder het fenomeen Jim Morrison te willen ontmaskeren als een farce, mag een meer genuanceerde beschouwing op z’n plaats zijn. Want was Morrison niet meer dan een typisch product van de bewogen, bevlogen jaren zestig? Als geen ander maakte de in 1943 als James Douglas Morrison geboren zanger handig gebruik van de verworvenheden die de maatschappelijke en culturele revolutie van de sixties met zich meebrachten. Jim Morrison wist dat hij met een sexy uitstraling, uitdagend gedrag ten opzichte van de gevestigde orde en met een door opportunisme gedreven narcisme het ver kon schoppen. Hij wilde cineast worden en verliet op achttienjarige leeftijd zijn welgestelde familie om te gaan studeren aan de filmacademie van Los Angeles, waar hij Ray Manzarek ontmoette. De jonge Morrison was onrustig en besluiteloos. Hij begon gedichten te schrijven en samen met Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore muziek te maken. In de psychedelische summer of love van 1967 vielen The Doors - de naam was geïnspireerd op een gedicht van William Blake (‘there are things that are known and things that are unknown, in between are doors’) - op met op rhythm & blues gebaseerde, gedreven rockmuziek waarbij tekstueel de thema’s seks en dood Morrisons obsessies gestalte gaven. Zonder Jim, die al voordat de groep een platencontract tekende in de clubs van Los Angeles een reputatie had opgebouwd als onberekenbare podiumpersoonlijkheid en enfant terrible, was het met The Doors niets geworden. Hoewel Robbie Krieger verantwoordelijk was voor de hit Light My Fire, waren de muzikale capaciteiten van Morrisons begeleiders beperkt. Bij herhaalde beluistering van de platen van The Doors wordt een bassist node gemist, gaat Manzareks zompige orgeltje irriteren, blijkt Densmore een gefrustreerde jazz-drummer en speelt Krieger talloze variaties op steeds hetzelfde gitaarloopje. Met zijn rauwe stem en zijn door blueszangers als Howlin’ Wolf en Willie Dixon beïnvloede dictie was Morrison het onbetwiste middelpunt. De allesbepalende rol van Morrison in The Doors wordt compleet als we daarbij voegen zijn aan de ene kant suggestieve teksten over seks (zijn versie van Willie Dixons Back Door Man) en aan de andere kant zijn hang naar mystiek (The Celebration Of The Lizard) en rebellie (Five To One).

Jim Morrison was een zeer belezen jongeman en kon indruk maken door te strooien met citaten van Nietzsche, Freud, Huxley, Artaud en Rimbaud. Geestverruimende drugs als LSD en peyote brachten hem in de waan dat hij als popzanger de rol van de indiaanse sjamaan kon vervullen; de spirituele medicijnman die in diepe trance zijn volgelingen - de fans - mee kon voeren naar het onbekende. Uiteindelijk was hij in die rol niet meer dan een rock-uitvoering van de rattenvanger van Hamelen die het slachtoffer werd van zijn eigen betovering. Daarnaast zag Morrison zichzelf graag als een moderne Dionysis (een verleidelijke Griekse god die naar de aarde afdaalde om te feesten en de vrouwen gek van lust te maken). Maar Jim wilde te veel en kon te weinig; zijn filmplannen kwamen op de onsamenhangende experimenten Feast of Friends en HiWay na niet van de grond en zijn dichtbundels The Lords en The New Creatures laten zich lezen als weinig verheffende puberale fantasieën, door drugs gekleurde observaties en ‘open deuren’ over de aard van cinema (‘the appeal of cinema lies in the fear of death’ – uit The Lords, 1969).

Zijn misplaatste grootheidswaanzin leidde tot een excessief gebruik van drank en drugs en de te bereiken staat van ‘sjamanistische extase’ ontaardde niet zelden in openbare dronkenschap. Hij verloor ieder contact met de realiteit en zijn rebelse houding tegenover de autoriteiten zorgde voor een reeks legendarische incidenten die hem binnen The Doors onhandelbaar maakten. Toch was de laatste Doors-lp L.A. Woman (1971) weer opvallend sterk na de teleurstellende platen The Soft Parade en Morrison Hotel. In zijn laatste levensjaar was Morrison een vadsige zuipschuit geworden die zich niet wilde neerleggen bij het feit dat zijn ambities op het gebied van film en poëzie te hoog gegrepen waren. Gedesillusioneerd keerde hij na de opnamen voor L.A. Woman The Doors de rug toe. Hij vertrok naar Parijs, waar hij in de oude Amerikaanse literaire traditie nieuwe inspiratie hoopte te vinden. Op 3 juli 1971 bezweek hij aan een hartaanval.

In een graf op de beroemde begraafplaats Père Lachaise in Parijs, omringd door andere getormenteerde kunstenaars als Oscar Wilde en Edith Piaf, rust Jim Morrison. Naar aanleiding van Oliver Stones film zal hij zich niet, zoals het gezegde luidt, omdraaien in zijn graf. Met de wetenschap dat hij, in tegenstelling tot de voorspellingen van zijn vrienden, toch een legende geworden is, zal hij zich eerder verslikken in een dronken lachbui. Jim Morrison leeft nog steeds, maar de mythe die mede door Oliver Stone een nieuwe dimensie krijgt overschat de man die eigenlijk niet meer was dan een charismatisch zanger.

Haagsche Courant, mei 1991