Hard Again (Blue Sky, 1976)

Muddy Waters

Zelden iemand gezien die zo in z’n nopjes lijkt te zijn als Muddy Waters op de hoesfoto van zijn comeback-plaat Hard Again. De destijds 68-jarige vader van de Chicago-blues glimt en straalt, alsof hij zojuist, indachtig de dubbelzinnige titel van zijn plaat, voor het eerst in lange tijd een geweldige wip heeft gemaakt. En zo klinkt Hard Again ook, als een bevrijdende opluchting. Hij lijkt te willen zeggen: Ik kan het nog – en hoe! Luister maar naar het eerste nummer, niet zomaar de zoveelste remake van Mannish Boy. Opgejut door het aanmoedigende geschreeuw van de Texaanse gitaartornado Johnny Winter blaast Waters zijn vroegere intentieverklaring nieuw leven in. ‘And now I’m a man, way past twenty-one...’, stelt hij zelfverzekerd en trots, maar niet zonder relativerende humor. De elektriciteit van zijn potente voordracht spat van het vinyl als de opzwepende ritmische cadans van de muziek hem voortstuwt. De 100 jaar geleden als McKinley Morganfield geboren zanger en gitarist deed er in 1976 goed aan om Chess Records, waarvoor hij in de jaren vijftig talloze Chicago-bluesklassiekers opnam, vaarwel te zeggen. Waters had een nieuwe impuls nodig en die vond hij bij het Blue Sky-label van Johnny Winter-manager Steve Paul. Met de albino als producer en gitaarsolist, maar gerugsteund door trouwe begeleiders als harmonicaspeler James Cotton en pianist Pinetop Perkins, maakte Waters nog vier sterke elpees, voor zijn dood in 1983. Wat Hard Again zo goed maakt, is de informele, intieme sfeer. Het is alsof de muziek live is opgenomen in Waters’ garage terwijl de zanger ontspannen op een bierkrat zat. Hoewel de plaat in drie sessies werd gemaakt, is de muziek opmerkelijk intens. Verrassend is een akoestische versie van I Can’t Be Satisfied, waarmee Waters in 1948 aan de wieg stond van de grootsteedse elektrische blues, maar dat hij in 1941 als I Be’s Troubled in een akoestische oerversie had toevertrouwd aan de bandrecorder van archivaris Alan Lomax. Het enige minpuntje van Hard Again is dat Waters louter als zanger te horen is. Zijn karakteristieke, snerpende slidegitaarspel laat hij over aan Winter, die zich overigens met veel passie en gevoel voor traditie van zijn taak kwijt.