Het dilemma van The Sugarcubes (1988)

 “Wij zijn hier niet om uitspraken te doen, maar om commentaar te geven en weer te vertrekken. Wat we zeggen is niet de waarheid.” Aldus Einar Örn, zanger van de IJslandse formatie The Sugarcubes.

In popkringen wordt deze groep uit Reykjavik momenteel dé ontdekking genoemd en het net verschenen debuutalbum Life’s Too Good bewijst dat popmuziek in het tijdperk van Rick Astley, Wet Wet Wet en Johnny Hates Jazz nog steeds fantasievol, opwindend en grappig kan zijn. De hotellobby waar The Sugarcubes bivakkeren, lijkt veranderd in een kinderkamer. De peuter van zangeres Björk heeft zijn speeltjes over de gehele ruimte verspreid en onderzoekend als hij is, slaat hij hard op een metalen asbak die daar vervaarlijk van begint te trillen. Een toekomstige IJslandse percussionist laat zich horen. Het kind wordt vervolgens door vader Thor, gitarist van de groep, op een steekkarretje door het hotel gereden, waarna het kindvrouwtje Björk met haar kroost voor een verlaat middagdutje verdwijnt. The Sugarcubes werden opgericht op de geboortedag van de trots van Thor en Björk. “Op die dag besloten we infantiele rock te gaan maken”, herinnert Örn zich. Het zestal dat The Sugarcubes vormt, lijkt door de wol geverfd wat betreft interviews. En hun instant-succes, dat begon toen vorig jaar de eerste single Birthday verscheen, heeft nog het meest weg van een hype. De groep verscheen op de omslag van alle belangrijke Britse muziekperiodieken, vette platencontracten werden resoluut van de hand gewezen omdat de band onafhankelijk wilde blijven en Life’s Too Good verscheen op plaat in maar liefst zes verschillend gekleurde hoezen, op CD, MC, video-disc (waarvoor de afspeelapparatuur nog steeds niet in de handel is) en zelfs als videoband. Overspannen belangstelling?
Einar Örn: “Daar hebben wij geen aandeel in.” Thor: “Wij wonen in IJsland en daar blijven we ook. Met het wereldje van de popmuziek willen we niets te maken hebben. Ze kunnen de kolere krijgen.”

 Örn: “Die hype is door de media veroorzaakt, wij laten ons niet manipuleren. Ook zijn we niet bang om als snoepje van de week te worden gebruikt. Dat waren we vorig jaar en dat zijn we blijkbaar nu nog. Maar we zijn nog steeds The Sugarcubes en we doen wat we willen. Wat we willen weten we niet, maar we doen het gewoon. Dat is een tegenspraak en stelt mensen voor een dilemma. The Sugarcubes zijn een dilemma, ook voor ons zelf. We mogen nu dan wel ons geld verdienen met popmuziek, maar we zien ons zelf niet als muzikanten. Waarom? Kijk naar de muziekindustrie momenteel; allemaal professionele muzikanten, maar de muziek is rommel. Geloof jij Rick Astley als hij zingt Will you love me tonight? Ik geloof dat hij vannacht van zijn geld houdt.”

Örn ontpopt zich als een filosoof-in-de-dop, maar hij kan met zijn zorgvuldig geconstrueerde volzinnen niet de indruk laten verdwijnen, dat het ongrijpbare imago van The Sugarcubes een grote grap is. Alle onzin terzijde, is Life’s Too Good een wonderlijke plaat die zich moeiteloos weet te onderscheiden van de surrogaatprodukten die tegenwoordig voor popmuziek moeten doorgaan. Sugarcubes-muziek is, zonder dat er een typisch aanwijsbare sound is, fanatasierijk en opwindend. De te bespeuren invloeden, die overigens incidenteel en toevallig aandoen, reiken van de Beatles tot The Cure en Prince: pure pop die in een toegankelijk kader licht experimenteel is in compositie en instrumentatie, met de expressieve stem van Björk als sterkste aantrekkingspunt. Björk overigens, gaat binnenkort de studio in samen met de Ierse zangeres Sinéad O’Connor. Zij: “Ik kan en wil daar nog niets over zeggen, zolang Sinéad en ik nog niet werkelijk begonnen zijn.”

De zes suikerklontjes hebben een rijk verleden in de IJslandse ondergrondse popcultuur. Einar en Björk waren ooit de kern van de ook in ons land niet onbekende groep Kukl (Pandora festival). Örn: “Wat we proberen te vermijden met deze groep is om te definiëren of te categoriseren wat The Sugarcubes is. De naam voor deze groep moest in ieder geval grappig zijn, want Kukl betekent in het IJslands magie en dat was een erg zware groepsnaam. Maar met Sugarcubes dacht men weer dat we tussen de drugs vertoefden, omdat men vroeger LSD in suikerklontjes deed.” Thor besluit het gesprek met de aanvulling: “Suikerklontjes worden ook gebruikt om absint te drinken.”

Haagsche Courant, mei 1988